Als Chery-An (52) lacht, verschijnen er kuiltjes in haar wangen. Haar vingers, versierd met groen gelakte nagels, omklemmen een glas groene thee. Het is een prachtige dag en de zon schijnt door het raam van de Oranjerie, het restaurant bij verpleeghuis Oranjehof. Chery-An is een drukbezette vrouw, met werk als verpleegkundige, lifecoach én voorganger van een kerk. Toch maakt ze elke week tijd om haar moeder te bezoeken en voor haar te zorgen. “Ook al merkt ze het niet meer. Het blijft m’n moeder.”
“En nu mag ik er voor haar zijn. Dat is geen last, dat is een cadeau. Ze leeft nog. Ik kan haar nog zien, haar hand vasthouden."
Verhuizen naar Oranjehof
Voordat mevrouw Philipsen naar Oranjehof verhuisde, woonde ze samen met haar tweede man – Chery-An noemt hem Ome Jan – in een fijne buurt in Rotterdam. “Hij wilde eigenlijk het liefst dat ze samen thuis konden blijven. Ze hadden hulp in huis, een maaltijdservice en ons gezin als ‘oppas’ als Ome Jan ergens naartoe moest. Maar op een gegeven moment ging dat niet meer en begonnen er dingen mis te gaan. Het werd te zwaar.” De voorkeur ging uit naar een christelijk verpleeghuis en Oranjehof was vanwege de gunstige ligging een logische keuze. “Wonder boven wonder kwam er snel een plek vrij.”
Enkele jaren later verhuisde ook Ome Jan naar de serviceflat die verbonden is aan Oranjehof. Hier woont hij zelfstandig, maar is de zorg en hulp dichtbij. “Thuis viel hij van de trap en daarna kon hij niet meer goed uit de voeten. Binnen een week kwam er een appartement vrij. Zo bijzonder!” Inmiddels heeft hij helemaal zijn draai gevonden. “Hij zit zelfs in de cliëntenraad,” zegt Chery-An trots. “Hij is een slimme man, hoor, Ome Jan!”
‘Ik herken haar nog’
Eén keer per week komt Chery-An op bezoek. Ze videobellen dan ook altijd even met haar broer, die in Indonesië woont. “Ze herkent ons niet meer. Maar heel soms zegt ze ineens ‘hé!’ En dan denk ik: weet ze dat ik het ben? Of klinkt mijn stem gewoon vertrouwd? Eigenlijk maakt het niet uit. Ze is mijn moeder. Ik blijf het doen.”
Een tijdje geleden ging het minder goed met haar moeder, en kwam Chery-An vaker langs om voor haar te zorgen. “Dat was zo emotioneel. Toen dacht ik bij mezelf: ‘wow, je moeder zit echt nog goed in je hart.’”
De band tussen moeder en dochter is sterk. “Toen mijn ouders scheidden, was ik negen. We hebben altijd op elkaar geleund. Ik had me geen betere moeder kunnen wensen. Natuurlijk is geen enkele ouder zonder fouten, ook mijn moeder niet. Maar ze is er altijd voor mij en mijn broer geweest, emotioneel, geestelijk en financieel.” Chery-An glimlacht, en haar ogen vullen zich met tranen. “En nu mag ik er voor haar zijn. Dat is geen last, dat is een cadeau. Ze leeft nog. Ik kan haar nog zien, haar hand vasthouden. Misschien herkent zij mij niet meer, maar ik herken haar nog. Tot op het laatste moment.”
Een ander perspectief
Voor veel mensen is het moeilijk om een naaste te bezoeken die niet meer reageert of herkent. Chery-An ziet het anders. “Tegenwoordig denken mensen al snel: dit is geen volwaardig leven meer. Maar dat is niet aan ons om te bepalen, die macht is van God. En voor Hem is ieder mens belangrijk, ieder mens!”
Ze pauzeert even en nipt van haar thee. “Ook al lijkt het soms alsof er niets meer aankomt, mensen met dementie voelen meer dan we denken. Een stem, een hand op hun arm, een glimlach. Al is het maar een heel klein stukje wat ze herkent, dat kan zoveel doen.”
Voor Chery-An is het dus niet meer dan logisch dat ze haar moeder nog blijft bezoeken, haar blijft omhelzen en liefde blijft geven. “Het is een mens, van vlees en bloed. Een mens dat nog kan voelen, horen en zien. Ieder mens verdient het om gezien te worden.” De vastberadenheid straalt uit haar ogen. “Het is verschrikkelijk om iemand te laten wegkwijnen. Liefde en aandacht zijn zo belangrijk voor ieder mens, je kan er niet zonder. En dat is wat we haar geven.” Wat ze ervoor terug krijgt, doet er niet toe. “Daar gaat het niet om. Ze kan niets meer teruggeven. Ze kan alleen maar teruggeven dat ze er nog is.”
Een wonder
Wat hoopt Chery-An voor haar moeder? “Eerlijk? Dan hoop ik dat er een wonder gebeurt. Dat ze weer geneest. Alsof ze wakker wordt en denkt: hè, waar ben ik al die tijd geweest?” Toch is ze ook realistisch. “Als ze maar vrede heeft. Ik zie dat ze nog steeds kan lachen en van dingen kan genieten, en dat vind ik fijn. Als ze zo door kan gaan totdat ze haar ogen voor altijd sluit, dan zou dat heel mooi zijn.”
Auteur Christine Slings
Beeld Christine Slings